Mediatie – Het hart van dienstbaarheid - december 2019

Denkt u een slagveld in. Tussen twee vijanden, tijdelijk teruggetrokken, ligt een verscheurd en woest landschap. In het midden ervan verschijnt een eenzame figuur – een bemiddelaar. Het doel van de bemiddelaar is een ware en duurzame vrede bouwen. Hoe gaat dit in zijn werk?

Bedenk eerst waar de bemiddelaar zich bevindt – op het punt halfweg. Denk dan na hoe hij of zij, wanneer deze bemiddelaar zich boven dit punt verheft, niet alleen de tegengestelde krachten kan overzien, maar ook het landschap er omheen. Wanneer we dit beeld wat uitdiepen zouden we kunnen zeggen dat het belangrijk is dat de bemiddelaar zich niet te hoog boven de tegenstanders verheft, omdat hun standpunten dan verloren dreigen te gaan in de bredere context. Het symbool van de gelijkzijdige driehoek lijkt hier de beste middenweg.

Terwijl er inderdaad mensen met een enorme goede wil zijn die hun levens wijden aan het bemiddelingswerk in fysieke conflictsituaties, beschrijft bemiddeling in feite een veel bredere geestelijke dynamiek.  Want in de mentale wereld is het conflict tussen tegengestelde krachten voortdurend in beweging. De extreme spanning tussen het nationalisme en het internationalisme is slechts een voorbeeld van de huidige beroering tussen zowel de mensen als hun leiders. En daarom wordt het diepere werk van hen die de nieuwe groep van werelddienaren wordt genoemd duidelijk. Want het is deze groep die, door in bewustzijn net een weinig boven het conflict te staan, verlicht door een hogere completere visie, manieren kunnen waarnemen om de verwarde gedachtestromen in overeenstemming te brengen.

De nieuwe groep van werelddienaren kan gezien worden op twee verschillende manieren te bemiddelen – ‘verticaal’ tussen de potentiële energieën van het zielenrijk en de worstelende mensheid; en ‘horizontaal’ door mee te helpen om de strijdende machten tot coherent patronen van schoonheid binnen de menselijke gemeenschappen te verenigen. Zij doen dit door middel van twee krachtige geestelijke processen: de uitstralende macht waarmee ze andere met het idee van het Plan doordringen; en de dynamische uitdrukking van deze ideeën in hun eigen initiatieven en projecten.

Er is ook een derde manier waarop de nieuwe groep bemiddelt: tussen de symbolen en de gewoonten van het verleden, en hun opvolgers in de tevoorschijn komende toekomst. De nieuwe groep moet dus, pal staande in het punt halverwege, meesters in de kunst van het geestelijk compromis zijn. Naar deze kunst wordt als volgt verwezen: “Er is een 'kunst van geestelijk compromis' die geleerd moet worden en die moeilijk te bemeesteren is, omdat ze fanatisme ontkent, maar een getraind en intelligent begrip vraagt van toegepaste maatregelen en waarheden en ook een ontduiken van verantwoordelijkheid ontkent; het houdt ook een begrip van het tijdselement in, van de verschillende punten in de evolutie alsmede ervaring in het proces van afdanken van wat verouderd en onnodig is, hoe goed dit ook mag schijnen.”*

Op een bepaalde manier vormt het werk van Driehoeken een integraal en gespecialiseerd deel van de taak van de nieuwe groep. Het meditatiewerk van de leden van alle Driehoeken verbindt het etherisch lichaam van de planeet met de hogere planetaire ethers, met als uiteindelijk doel de innerlijke en uiterlijke werkelijkheden te doen samensmelten. Deze verlossende taak om de planeet op te laden met licht en liefde is zowel eenvoudig als diepgaand. Het vergt een geduldige overtuiging en een standvastig streven. Het is een volledig onaantrekkelijk diepzinnig werk achter de schermen, dat niettemin de stevige basis vormt waarop alle werk van dienst veilig gebouwd kan worden. Met haar voortdurende positieve stimulering van de gehele gedachtesfeer versterkt ze elke daad van dienst, en geeft overal aan de dienaren een toenemend vermogen om in de vele moeilijke punten halverwege te staan die vandaag in elke gemeenschap bestaan. Op deze manier stabiliseren Driehoeken alle bemiddelaars en liggen in het hart van de dienst.

* Discipelschap in het Nieuwe Tijdperk II, blz. 278.