In Future Money geeft James Robertson, de welbekende onafhankelijke denker over economische en maatschappelijke thema’s, in heldere, niet technische taal, een boeiend relaas voor een totale revisie van hoe wij geld scheppen en gebruiken. Zijn voornaamste punt is, dat het geldstelsel zoals het er nu is de mensen ertoe motiveert op bepaalde manieren anders te leven dan anderen, en dat deze manieren destructief zijn voor zowel de gemeenschappen der mensen als voor de ecologische systemen. Het geldstelsel is dus gestructureerd in regelrechte tegenstelling tot de inspanningen van de burgermaatschappij om enkele van de meest urgente problemen aan te pakken waarmee de mensheid nu geconfronteerd wordt - wereldwijde armoede, ecologische afbraak, maatschappelijk onrecht, financiële corruptie, en politieke onrust en geweld. De noodzaak tot hervorming is dus groot en urgent.
Robertson toont aan dat het geldstelsel, d.w.z. de manier waarop regeringen en hun agentschappen nu de drie voornaamste geldfuncties uitvoeren om de officiële voorraad geld te verschaffen, het publieke inkomen te verhogen en het uit te geven om in de algemene behoeften te voorzien, in de loop van de geschiedenis nogal geleidelijk is ontstaan, en nu heel erg uit de pas loopt met de behoeften van de 21e eeuw. Als basis voor de hervorming moet de mensheid opnieuw bekijken wat de doeleinden en beginselen van het geldstelsel als geheel dienen te zijn. Robertson stelt voor dat het centrale doel moet zijn ons te motiveren en in staat te stellen ons persoonlijke en collectieve leven te organiseren op manieren die naar de overleving en het welzijn van de mensheid en al het leven op Aarde leiden. Hij merkt op, dat helaas een groot obstakel om deze verandering tot stand te brengen is, dat weinig financiële professionals en beleidmakers in de wereld, zo er al zijn, geïnteresseerd zijn in de doeleinden van hoe het geldstelsel werkt, of zelfs dat het enige doeleinden heeft. Hij suggereert dat een geïnformeerde openbare mening en actie, gekoppeld aan constructief leiderschap dat gericht is op de praktische maatregelen die voor hervorming nodig zijn, vereist zijn om de politici en financiers ervan te overtuigen de noodzaak tot verandering.
Robertson duikt in de geschiedenis van geld om aan te tonen hoe de niet onder woorden gebrachte doeleinden van het huidige geldstelsel zich ontwikkeld hebben en legt uit wat de voornaamste verbeteringen zijn die voor nationale, internationale en lokale partners van het stelsel noodzakelijk zijn. Daar het nationale deel het meest ontwikkeld is, is het hier waar hij vooral zijn aandacht op richt. Onder zijn aanbevelingen is de voornaamste, dat de schepping van de nationale geldvoorraad veranderd moet worden van commerciële banken naar de centrale bank. Hij stelt ook voor dat de belastingdruk van inkomen naar consumptie verschuift, daar het de consumptie is die voor vervuiling zorgt; en dat een deel van deze belastingen gebruikt moet worden om het inkomen van de burger te financieren, in plaats van het ingewikkelde stelsel van winst, zoals dat nu bestaat. Op internationaal niveau stelt Robertson duidelijke soortgelijke veranderingen voor, met de schepping van een nieuwe Internationale Munt die gelijk met de nationale munt zou werken; en de ontwikkeling van arrangementen voor internationale vergaring van inkomsten door het taxeren van het gebruike maken van globale gemeenschappelijke hulpbronnen zoals het vissen in de oceaan, luchtwegen en de kosmische ruimte, en ook activiteiten die vervuiling over de grens veroorzaken, deze fondsen gebruikend om te voorzien in de kosten van de VN en hun agentschappen en mogelijk om tevens een globaal onderdeel te vormen van het inkomen van de burger. Opmerkend, dat de regeneratie van meer onafhankelijke plaatselijke economieën ook belangrijk is, roept hij lokale regeringen op actief betrokken te zijn en een veel grotere plaats te geven aan onafhankelijke gemeenschaps-valuta, lokale coöperaties, kredietverenigingen en ontwikkelingsbanken.
Terwijl Toekomstig Geld geen lang boek is, is het wel duidelijk, dat het de uitkomst is van tientallen jaren onderzoek en overdenking van de belangrijkste thema’s rondom geld. Robertson verschaft ook een massa referenties voor hen, die de thema’s gedetailleerder willen onderzoeken. Door deze ingewikkelde zaken afzonderlijk in een duidelijke agenda te zetten om er dringend wat mee te doen, heef Robertson een boek van grote waarde geschreven voor alle mensen die op zoek zijn om een betere toekomst voor de mensheid in te luiden.
++++++++++++++++++++++++++++++++
Op 2 april 2012 was de Koninklijke Regering van Bhutan gastheer voor een vergadering op hoog niveau op het hoofdkwartier van de VN in New York, getiteld “Welzijn en Geluk”: het Bepalen van een Nieuw Economisch Model”. Jarenlang is Bhutan nu al technieken aan het ontwikkelen om het “Gross National Happiness” (GNH) – het Totale Nationale Geluk – te meten. Daar zij een steeds toenemende ontevredenheid opmerkten met de standaardnorm die door regeringen wordt gebruikt, het Bruto Binnenlands Product (BBP), proberen ook andere groepen nieuwe manieren te ontwikkelen om de kwaliteit van het leven te meten.
Wegens de opdracht om met de vergadering samen te vallen, werd het eerste Wereld Geluk Rapport (World Happiness Repport) op 2 april uitgegeven. Gepubliceerd door het Earth Institute van de Columbia Universiteit, en mede geredigeerd door de directeur ervan, Jeffrey Sachs, in samenwerking met John Helliwell en Richard Layard, weerspiegelt het rapport de nieuwe wereldwijde vraag naar meer aandacht voor geluk en afwezigheid van ellende als criteria voor regeringsbeleid. Het geeft een overzicht van de staat van geluk in de huidige wereld en toont aan hoe de nieuwe wetenschap van geluk persoonlijke en nationale verscheidenheid in geluk verklaart. In zijn inleiding merkt Sachs op, dat in verarmde maatschappijen het zoeken naar verbetering in materieel welzijn zinnig is, daar hogere inkomens fundamentele verbeteringen brengen in voeding, schoolopleiding en gezondheid. Onderzoek heeft echter aangetoond, dat in rijkere landen voortdurend stijgende inkomsten boven een bepaald punt geen toegenomen geluk schijnen te leveren. Hij citeert een aantal redenen voor dit verbazingwekkende resultaat: de mensen neigen ertoe hun niveau van rijkdom met anderen te vergelijken; toenemende rijkdom in een maatschappij kan ongelijkmatig verdeeld zijn; andere factoren, zoals onveiligheid of gebrek aan maatschappelijk vertrouwen kunnen de voordelen van een toenemend inkomen verminderen; het feit dat, terwijl een hoger inkomen het geluk in zekere mate kan vergroten, het zoeken naar een hoger inkomen geluk kan verminderen; en het voortdurend aankweken van nieuwe verlangens door adverteren.
Sachs brengt naar voren dat de eenvoudig voorgestelde economische zienswijze van mensen als rationele consumenten (inclusief in BBP) plaats moet maken voor een rijker model van de mensheid, dat inziet hoe ingewikkeld de wisselwerking van emoties en gedachten in onze besluitvorming is, en onze diepe behoefte aan maatschappelijke betrekkingen en gemeenschap erkent. Hij merkt op dat het idee, dat maatschappijen geluk in hun burgers moeten aanmoedigen niet aanvechtbaar is, maar dat een bezwaar is, dat het te vaag en te subjectief is om het beleid van regeringen te sturen. Hij wijst erop, dat er vele dimensies van geluk zijn, waarvan psychologen, economen, enquêteurs en sociologen hebben aangetoond, dat ze gemeten en geanalyseerd kunnen worden en verbonden zijn aan de karaktertrekken van de individuele personen en hun maatschappij. Dit is de opkomende wetenschap van geluk, wat de rest van het verslag gedetailleerder uiteenzet. Sachs eindigt zijn inleiding door het pionierswerk met betrekking tot het GNH in Bhutan te prijzen, en stelt voor, dat de opvolgers van de Millennium Ontwikkelingsdoeleinden een bepaalde verplichting moeten insluiten om geluk te meten.
In deel I van het rapport kijkt hoofdstuk 2 naar enkele maatregelen voor geluk die sinds kort in gebruik zijn, zoals de Gallup World Poll (Gallup opinie onderzoek) en het Europese Maatschappelijke Overzicht. De resultaten daarvan suggereren dat regelmatig op grote schaal verzamelen van gegevens over geluk de macro-economische beleidsvorming kan verbeteren en over het leveren van maatschappelijke diensten kan informeren. Hoofdstuk 3 onderzoekt de oorzaken van geluk, zowel uitwendig (bv. inkomen, werk, bestuur, waarden) als persoonlijk (gezondheid, gezinsleven, opvoeding, leeftijd) en concludeert dat, terwijl een absoluut inkomen in arme landen belangrijk is, in rijkere landen een vergelijkend inkomen waarschijnlijk het belangrijkste is, en dat vele andere factoren een krachtige invloed hebben, zoals maatschappelijk vertrouwen, de kwaliteit van het werk, en politieke deelname. Hoofdstuk 4 kijkt naar enkele gevolgtrekkingen voor het beleid van deze bevindingen, en is van mening dat, terwijl een fundamentele levensstandaard noodzakelijk is voor geluk, nadat in de basislijn is voorzien, geluk meer afhangt van de kwaliteit van menselijke verhoudingen dan van inkomen. Daarom moet er beleid ontwikkeld worden dat menselijke verhoudingen kan versterken, bijvoorbeeld gezinsleven steunen door een behoorlijke werk-leven balans, en het verschaffen van een passende opleiding voor iedereen.
Deel II van het verslag biedt twee gevalsanalyses, beginnend met het geval Bhutan. De auteurs schenken aandacht aan de gecompliceerde aard van het Totale Nationale Geluk (GNH), en citeren Jigme Thinley, de Minister President van Bhutan, die zegt dat “werkelijk duurzaam geluk” … alleen komt door anderen te dienen, in harmonie met de natuur te leven, en ons onze innerlijke wijsheid te realiseren”. De Totale Nationale Geluk index wordt samengesteld uit drieëndertig afzonderlijke indicatoren, die zich uitstrekken over de negen gebieden van opvoeding en opleiding, gezondheid, ecologische verscheidenheid en herstellingsvermogen, vitaliteit van de gemeenschap, psychologisch welzijn, en levens-standaards, en de auteurs beschrijven elke indicator in detail, evenals de manier waarop zij gecombineerd worden. Zij leveren hun meest recente resultaten en geven voorbeelden om aan te tonen hoe verschillende groepen – geletterde of niet geletterde – stedelijke of landelijke, jong of oud, monnik, boer of zakenman allemaal geïdentificeerd kunnen worden gebruik makend van dit model als gelukkig. Tenslotte merken zij op, dat het Totale Nationale Geluk een sterk levend experiment is, en benadrukken, dat het het doel van de Totale Nationale Geluk Index is aan mensen van elke levenswandel een aansporing te verschaffen om het geluk in hun maatschappij te vergroten.
De tweede gevalsanalyse doet verslag over het werk van het Bureau van het Verenigd Koninkrijk voor Nationale Statistiek betreffende zijn recente pogingen om subjectief welzijn te meten. De auteur van deze gevalsanalyse denkt na over de eerste inspanningen om vier experimentele problemen betreffende subjectief welzijn bij hun onderzoek in te sluiten, en concludeert, dat subjectieve maatregelen en objectieve maatregelen elkaar kunnen aanvullen bij het bepalen van nationaal welzijn.
De laatste gevalsanalyse schetst het recente werk van de Organisatie voor Economische Ontwikkeling (OECD) door de richtlijnen te ontwerpen om subjectief welzijn te meten voor nationale statistiek bureaus. Deze inspanning is bedoeld om te helpen het meten van subjectief welzijn te standaardiseren, vergelijking tussen regio’s en tussen naties toe te staan, en de bedoeling is deze richtlijnen tegen het einde van 2012 te publiceren.
Het bestaan van het Wereld Geluk Rapport is bemoedigend, daar het aantoont, dat zelfs hardhoofdige economen en statistici nu bereid zijn de noodzaak voor meer subjectieve dimensies in hun taxatie te accepteren. Subjectief welzijn of geluk op zich is niet gemakkelijk te definiëren, maar het is interessant de nadruk op te merken, die gelegd wordt op het verbeteren van verhoudingen, die in het rapport tot uitdrukking komt. Het verwerven van juiste menselijke verhoudingen door toegepaste goede wil is een belangrijk thema in de geschriften van Alice Bailey. “Juist” en “goed” zijn nog twee ideeën waarmee de mensheid lang geworsteld heeft om ze te omvatten, en deze te begrijpen en uit te drukken vereist niet alleen helder redeneren, maar ook het vurige medeleven van het hart. Het hart is de beheerder van het bewustzijn, en wanneer de teugels van controle worden overgebracht van het drukke geklets van het denken naar de “stille kleine stem” dan is er een natuurlijke neiging om in termen van het goede voor het geheel te denken en te handelen. Dan zal inderdaad, zoals door Jigme Thinley voorgesteld, werkelijk duurzaam geluk ontstaan, door dienst aan onze medemensen en alle natuurrijken, en dan kan de liefhebbende wijsheid van het hart de magneet van de maatschappij worden.