De kwestie recht op iets hebben is tegenwoordig veel in ieders gedachten. In principe is een recht een garantie op toegang tot voordelen door onvervreemdbare rechten of door rechten die door de wet zijn toegekend. Rechten zijn de voordelen die een maatschappij garandeert aan ieder die aan gevestigde omstandigheden of behoeften beantwoordt. Zij zijn bedoeld om maatschappelijke gelijkheid te bevorderen en diegenen te beschermen, die anders kwetsbaar zouden zijn.
In oppervlakkiger zin echter is recht hebben de verwachting, dat een persoon recht heeft op een bepaalde beloning of voordeel, gewoon omdat het bestaat.
“De strekking van recht hebben” beschrijft de heersende omstandigheid van een maatschappij, waar individuele behoeften de zorg voor het algemeen welzijn overheersen, door over de grens heen te springen die de rechten van persoonlijk privilege onderscheidt.
“Ik heb er recht op” is de kreet van de afzonderlijke persoonlijkheid, die een gevoel van wrok en verdenking over een oneerlijke behandeling koestert. “Ik heb er recht op” is ook de verwachting van de krachtige, rijke leden van een maatschappij, die hun belangen als superieur beschouwen. Doordat het de aard van de niet vervulde persoonlijkheid is om zich op het eigenbelang te richten, worden rechten vaak gemaskeerd door het opstellen van wetten en bureaucratische structuren om de belangen van de machtigen te beschermen. Dit kan een situatie scheppen waarin rechten, idealiter bedoeld om de armere, meer “recht hebbende” leden van de maatschappij te beschermen, in werkelijkheid de belangen van de machtigen en rijken dienen, terwijl ze tegelijkertijd de armere en minder machtige mensen als lui en onverantwoordelijk verwerpen omdat zij speciale aandacht nodig hebben.
De vraag over wie recht heeft, en waarop, is van uiterst belang voor elke maatschappij, waar een enorme ongelijkheid in inkomen is, een verschijnsel dat zich in de laatste tientallen jaren in veel maatschappijen ontwikkeld heeft.
Zolang de vrijheid bestaat om kansen na te jagen, met de verzekering dat rechten eerlijk toegekend zullen worden, is een zekere mate van ongelijkheid toelaatbaar. Echter, het toenemende gevoel van oneerlijkheid in de verdeling van rijkdom, dat door de wereldwijde economische crisis in de schijnwerpers is komen te staan, wakkert de vuren van wantrouwen in “het systeem” aan.
Door regeringen opgelegde soberheidsmaatregelen hebben abrupt een eind gemaakt aan de “goede oude tijd” en velen vinden het moeilijk te accepteren, dat zij niet noodzakelijk recht hebben op de gemakken en genoegens waaraan zij gewend zijn en die zij als zo noodzakelijk beschouwden voor het alledaagse leven. Het feit, dat de rijken steeds rijker worden, verhoogt deze onbehaaglijkheid en dit wantrouwen in een “ik eerst” cultuur en we kunnen een rechtstreeks verband zien tussen een gevoel van recht hebben op en een ontbreken van zorg voor de gemeenschap als geheel.
En toch is het alleen door het welzijn van de gehele gemeenschap dat iedereen zijn grondrechten kan krijgen – het recht op vrede, gezondheid en veiligheid. Onderzoek heeft uitgewezen, dat maatschappijen waarin er een belangrijke wanverhouding in inkomen bestaat, ook de verdeling niet goed in evenwicht is, minder stabiel is, en meer vatbaar voor gezondheids- en maatschappelijke problemen dan maatschappijen waarin de marges tussen de rijkere en de armere delen van de bevolking niet zo groot zijn. Onderzoek heeft ook uitgewezen dat, boven een bepaald niveau, meer rijkdom niet voor meer geluk, gezondheid of een langere levensduur zorgt. De Equality Trust (het Gelijkheids Kartel) meldt, dat maatschappelijke mobiliteit ook lager is en geografische scheiding groter is in maatschappijen waar ongelijkheid is. Maatschappijen, waarin het verschil in inkomen tussen rijk en arm kleiner is, hangen meer samen: het gemeenschapsleven is sterker, het vertrouwen ligt op een hoger niveau, en er is minder geweld.
De urgente behoeften van de meest kwetsbare leden van de maatschappij aan de orde stellen is een uiting van mededogen. Maar het is ook zo, dat de evolutionaire reis van de ziel een reis is met geërfd karma uit een allang vergeten verleden. In deze zin is verantwoordelijkheid voor zijn eigen omstandigheden onvermijdelijk. Iedere ziel moet haar eigen karma uitwerken, maar in een zorgzame, meedogende maatschappij kunnen regeringen helpen door rechten te verschaffen als springplanken op de weg.
Rechten op deze manier zien is constructiever dan de houding aannemen dat “de wereld mij iets verschuldigd is”; dat als er iets verkeerds met me gebeurt, anderen dat beter moeten maken. Misschien stamt deze houding af van verwarrende rechten met mensenrechten, die “de vrijheden zijn waar alle mensen recht op hebben”. De evolutie van de ziel vereist deze vrijheden om een progressief gewaarzijn te ontwikkelen van de wederzijdse verhoudingen, die het levensweb op onze planeet ondersteunen. Ieder mens leeft binnen dit netwerk, helpt het te ondersteunen en wordt erdoor gesteund; en de vier vrijheden, door wijlen President Roosevelt van de V.S. onder woorden gebracht, beschrijven de grondbeginselen, die essentieel zijn voor ieder mens om ten volle in dit levensweb deel te nemen.
Vrijheid van spreken en meningsuiting – overal op de wereld.
Vrijheid voor ieder om God op zijn eigen manier te aanbidden – overal in de wereld.
Vrij zijn van gebrek – wat, vertaald in wereldse termen, economische welwillendheid betekent, om voor elke natie een gezond leven in vrede voor haar inwoners te garanderen – overal in de wereld.
Gevrijwaard zijn voor angst – wat, vertaald in wereldse termen, wereldwijd een zodanige vermindering van wapens betekent, dat geen enkele natie in staat is een daad van agressie tegen een medemens te plegen – overal in de wereld.
Dit zijn eerste vereisten voor een veiliger wereld en iedere man, vrouw en kind in de wereld heeft daar recht op. Vooral de derde vrijheid, “vrij zijn van gebrek”, veilig gesteld door economisch delen, kan tenslotte leiden tot een vermindering van het belang van rechten op maatschappelijke en economische structuren van de maatschappij, wat leidt tot groter deelname aan het nationale en internationale leven van de mensheid.