Oude, moderne en toekomstige democratieën


Het klassieke Griekenland wordt vaak gezien als een hoogtepunt van de menselijke beschaving, en het was in dit tijdperk dat de fundamenten van de democratie werden gelegd. Hoewel we vaak spreken van een “gouden tijd” van de oude Griekse cultuur, is het de moeite waard te bedenken dat Griekenland als een verenigde natie pas ontstond toen het in 1830 onafhankelijk werd van het Ottomaanse rijk. In de oudheid was het land een mozaïek van rivaliserende stadstaten die elkaar bestreden om de dominantie. Wat hen losjes verbond, was een gedeelde taal, gemeenschappelijke mythen en een literaire traditie. Deze “Pan-Helleense” identiteit kwam het meest levendig om de vier jaar tot uiting tijdens de Olympische Spelen, wanneer de oorlogvoering pauzeerde en mensenmassa´s in Olympia samenstroomden. Het idee van democratie ontstond in slechts één van deze – weliswaar de meest invloedrijke – stadstaten: Athene. Het was nooit een algeheel “Grieks” begrip dat door de hele Griekssprekende gemeenschap werd gedeeld.

Het idee ontstond als reactie op diepe sociale en politieke ongelijkheden onder aristocratisch bewind en, later, onder tirannen. In 594 v.Chr. voerde de Atheense staatsman Solon economische en politieke hervormingen door om de spanningen tussen klassen te verminderen. Zijn maatregelen beperkten de aristocratische macht en verleenden meer rechten aan gewone burgers, waarmee hij de basis legde voor participatief bestuur. Het ware begin van de Atheense democratie kwam met de hervormingen van Cleisthenes in 508 v.Chr. Door de politieke structuur van Athene te reorganiseren en instellingen op te richten zoals de ἐκκλησία (Vergadering), stelde Cleisthenes mannelijke vrije burgers in staat om rechtstreeks deel te nemen aan de maatschappelijke besluitvorming. De democratie werd verder ontwikkeld in de 5e eeuw v.Chr. onder Pericles, die voorstander was van bredere toegang tot openbare ambten. Dit systeem, bekend als de Atheense democratie (ca. 507-322 v.Chr.), blijft het bekendste voorbeeld van een directe democratie, waarbij burgers zelf over wetten stemden in plaats van via vertegenwoordigers.

Voor de moderne denker is het moeilijk om de idealen van de oude democratie te verzoenen met het feit dat deze bestonden naast – en afhankelijk van – door de staat erkende slavernij. In Athene was slavernij een fundamentele pijler van zowel de economie als van het dagelijks leven, waardoor een minderheid van “vrije burgers” kon deelnemen aan de politieke aangelegenheden. Van dit democratische privilege waren vrouwen, niet-burgers en slaven uitgesloten en het was dus slechts voorbehouden aan een klein deel van de bevolking.

Tegenwoordig wordt democratie algemeen beschouwd als een positief concept – vaak zelfs als een wondermiddel voor de moderne uitdagingen. In de oude Griekse cultuur was δημοκρατία echter een fel bediscussieerde en vaak bekritiseerde bestuursvorm, vooral onder filosofen. Plato was vooral kritisch en beschouwde democratie als een gebrekkig systeem waarin ongekwalificeerde massa's cruciale beslissingen namen, vaak leiders kiezend op basis van overreding in plaats van op basis van wijsheid. Hij vreesde de sociale chaos die het gevolg was van individuen die persoonlijke verlangens voorrang gaven boven het algemeen welzijn. Voor Plato leidde democratie tot instabiliteit, die ontstond toen charismatische demagogen de emoties van het publiek uitbuitten om macht te verwerven. Als alternatief pleitte hij voor heerschappij door filosoof-koningen – wijze leiders die waren opgeleid in gerechtigheid en bestuur. Men kan de gelijkenis van dit idee zien met de “oligarchie van verlichte geesten” die wordt genoemd in Alice Bailey’s Het naar buiten treden van de Geestelijke Hiërarchie [blz. 52]: ware verlichte individuen die door geavanceerde denkers worden erkend vanwege hun natuurlijke wijsheid.

Het is ook interessant om op te merken dat Plato erg gevoelig was voor politieke corruptie: in de Mythe van Er, die aan het einde van De Republiek (Boek X) verschijnt, vertelt een soldaat die sterft in de strijd over zijn reis naar het hiernamaals. Hij ziet de rechtvaardigen opstijgen naar een hoge plaats, en de onrechtvaardigen afdalen naar de onderwereld, waar corrupte politici de zwaarste straffen krijgen vanwege hun machtsmisbruik. Als dit scenario waar zou zijn, zou men zich kunnen afvragen hoe overbevolkt dit gebied van de Hades vandaag de dag wel zou kunnen zijn.

Dit oude wantrouwen jegens democratie weerklonk in latere eeuwen. Sommige moderne denkers en staatslieden, waaronder George Washington, vreesden de mogelijkheid van een door de massa geregeerde situatie, in de overtuiging dat democratie gemakkelijk tot chaos en tirannie zou kunnen leiden. Andere Grondleggers van de Verenigde Staten hadden ook een kritische kijk op de democratie. Hun denken werd vooral gevormd door de idealen van de Verlichting. Figuren als James Madison waarschuwden dat democratie meerderheden in staat zou kunnen stellen inbreuk te maken op de rechten van individuen, wat zou leiden tot instabiliteit en emotioneel gedreven besluitvorming. Deze scepsis werd gedeeld door filosofen als Friedrich Nietzsche en José Ortega y Gasset. Het is belangrijk op te merken dat dergelijke kritiek in de eerste plaats gericht was op de directe democratie, niet op de liberale democratie – een systeem dat democratische processen voor het selecteren van leiders combineert met constitutioneel liberalisme, dat individuele autonomie beschermt tegen dwang door de staat, religieuze autoriteiten of door de samenleving in het algemeen.

Maar, ondanks alle uiterlijke verschillen, is democratie altijd intrinsiek verbonden geweest met de idealen van vrijheid en gelijkheid, zoals Thucydides ons helpt herinneren[Historiën. 2.37]. Het fundamentele democratische ideaal was vrijheid (ἐλευθερία), die zowel politieke vrijheid betrof, waardoor burgers konden deelnemen aan democratische instellingen, als ook particuliere vrijheid, waarbij individuen het recht kregen om te leven zoals ze wilden [Aristoteles, Politika 1317a]. Het meest essentiële aspect van vrijheid was de vrijheid van meningsuiting (παρρησία) – zowel in de openbare sfeer als in het privéleven. Gelijkheid (ἰσότης) was niet gebaseerd op de overtuiging dat alle individuen inherent gelijk zijn, maar op het principe dat alle burgers gelijke kansen moeten hebben om deel te nemen aan het politieke leven.

Zelfs vóór de opkomst van dit idee in Athene begonnen op democratie gelijkende politieke systemen al vorm te krijgen in andere oude beschavingen, zoals in India. Deze systemen bestonden vanaf ongeveer de 6e eeuw v.Chr. en werden vermeld door zowel Indiase als Griekse bronnen. De meest opmerkelijke vermeldingen van dergelijke systemen komen uit oude teksten zoals de Mahābhārata (met de Bhagavad Gita als één van de hoofdstukken hierin, het grootste epische gedicht ooit geschreven), de boeddhistische Pali-canon en de Arthashastra, evenals uit verslagen van buitenlandse waarnemers zoals Megasthenes, een Griekse ambassadeur aan het Mauryan-hof in de 4e eeuw v.Chr. Hoewel deze systemen geen democratieën in de moderne zin van het woord waren, hadden ze elementen van collectieve besluitvorming, bestuur via consensus en machtsdeling tussen aristocratische of krijgsheer elites. Deze vroege “republieken” raakten uiteindelijk in verval als gevolg van interne conflicten en van de opkomst van gecentraliseerde monarchieën zoals het Mauryan-rijk in de 4e eeuw v.Chr.

De ontdekking van Mohenjo-Daro en Harappa, belangrijke steden van de beschaving van de Indusvallei (2600-1900 v.Chr.), onthulde een geavanceerde stedelijke samenleving in het huidige Pakistan en in Noordwest-India. Sommige niet-mainstream archeologen dateren hen al in 10.000 v.Chr. Opgravingen brachten grid-planned steden aan het licht, geavanceerde afwateringssytemen, bakstenen huizen met meerdere verdiepingen en complexe openbare structuren. Het niet-ontcijferde Indus-schrift maakt dat het politieke systeem onbekend blijft, maar de afwezigheid van paleizen of grote tempels suggereert eerder een relatief egalitaire samenleving dan een gecentraliseerde monarchie. Het oude China produceerde ook ideeën die het absolutisme tartten. Confucius benadrukte moreel leiderschap en de rol van deugd en onderwijs; en het "Mandaat van de Hemel", ontwikkeld tijdens de Zhou-dynastie, impliceerde dat heersers hun recht om te regeren konden verliezen als ze het volk niet dienden.

Wat we vandaag de dag weten over democratie is misschien slechts een voorbode van de geestelijke democratie die de mensheid nog moet bereiken. We kunnen verwachten dat de meer materiële en egoïstische aspecten ervan zullen vervagen naarmate meer individuen overgaan van gedreven worden door verlangens en emoties naar het cultiveren van rede en intuïtie, waardoor een verlichte publieke opinie ontstaat die een zinvolle bijdrage zal leveren aan de politiek. Alleen dan zal echte democratie mogelijk zijn – in de eerste plaats bereikt “door het juiste gebruik van de onderwijssystemen en door de gestage training van de mensen om de fijnere waarden, het hogere idealisme en de geest van synthese te herkennen...”. [Bailey, Het naar buiten treden, blz. 52] Het democratische experiment van het oude Athene blijft een opmerkelijk fenomeen en werd, ondanks zijn beperkingen, een fundamenteel model voor latere democratische systemen. Een blik op de geschiedenis laat echter zien dat ware democratie nog onbekend is: “het wacht op de tijd dat een ontwikkelde en verlichte publieke opinie haar aan de macht zal brengen” [Bailey, De Stralen en de Inwijdingen, blz. 748]. Er is een werkelijke geestelijke kant van de democratie die nog naar voren moet komen als het antwoord van de mensheid op de zuivere energie van liefde.

 

Download Nieuwsbrief in PDF
Ga naar Nieuwsbrief Home

Houd contact

Wereld Goede Wil in Sociale Media